Letter of Intent
9 juli 2026
LOI
In de LOI worden onder meer de identiteit van partijen en de reikwijdte van de transactie vastgelegd. Daarnaast bevat de LOI doorgaans een indicatieve koopprijs en het mechanisme op basis waarvan de uiteindelijke koopprijs wordt bepaald. Bij een Closing Accounts Mechanism (CAM) kan de koopprijs achteraf worden aangepast op basis van de definitieve balans per leveringsdatum, wat flexibiliteit biedt en het due diligence-proces kan versnellen. Bij een Locked Box Mechanism (LBM) wordt de koopprijs vastgesteld op basis van historische cijfers, waardoor de koper doorgaans meer nadruk legt op een grondiger financieel due diligence-onderzoek, nu prijsaanpassing achteraf niet mogelijk is.
Verder bevat de LOI vaak opschortende voorwaarden, zoals goedkeuring door aandeelhouders en een bevredigend due diligence-resultaat. Ook wordt veelal een exclusiviteitsperiode overeengekomen, waarin de verkoper niet met andere potentiële kopers onderhandelt. Daarnaast wordt er een geheimhoudingsovereenkomst (NDA) opgenomen.
De LOI is niet een begrip waaraan het Nederlandse recht een vaste betekenis aan toekent. Het is een gangbare aanduiding voor een verzameling van juridisch relevante verklaringen in enige fase van de onderhandelingen. Alhoewel een LOI in intentie altijd een onverbindende overeenkomst is dat in de praktijk niet altijd het geval. In de praktijk kunnen we 3 categorieën destilleren. Een volledig onverbindende LOI, een gedeeltelijk bindende LOI (denk aan opschortende voorwaarden en andere soorten bedingen) en een bindende LOI (dit wordt vaak als voorovereenkomst gezien). In welke categorie een LOI valt hangt af van de inhoudt van de LOI en wat de partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.[1]
Soms komen partijen er tijdens de onderhandelingen achter dat, dat wat werd beoogd toch niet is wat ze willen. Het uitgangspunt is dat partijen kunnen contracteren met wie zij willen. Kortom het staat partijen geheel vrij om de onderhandelingen af te breken. De Hoge Raad (HR) heeft echter ook bepaald dat de onderhandelingen en het gewerkte vertrouwen soms zo ver gevorderd dat het in strijd is met de goede trouw om de onderhandelingen af te breken. In het Baris/Riezenkamp arrest introduceert de HR de idee dat er een bijzondere rechtsverhouding ontstaat bij het aangaan van onderhandelingen en dat deze beheerst worden door de goede trouw.[2] In het Booy/Wisman arrest voegt de HR daar vervolgens nog aan toe dat er rekening gehouden moet worden met de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij tijdens de onderhandelingen.[3] In het Plas/Valburg arrest wordt er onderscheid gemaakt in de fasen van onderhandelingen die er kunnen zijn en de eventuele schadeplichtigheid die dat met zich mee kan brengen. Het in een vergevorderd stadium afbreken van de onderhandelingen kan onaanvaardbaar zijn en kan tot schadeplichtigheid leiden. In fase 1 is afbreken mogelijk, zonder schadevergoeding, in fase 2 is afbreken mogelijk, maar zal de wederpartij schadeloos moeten worden gesteld (negatief contractsbelang), in fase 3 is afbreken mogelijk, maar slechts tegen een vergoeding van zowel de gemaakte kosten en de gederfde winst (positief contractsbelang).[4] In VSH/Shell bepaalde de HR dat voordat er een verplichting bestaat tot het betalen van schadevergoeding er moet worden vastgesteld hoe aannemelijk het was dat de overeenkomst tot stand zou komen. Zonder deze aannemelijkheid, geen schadevergoeding.[5] In MBO/de Ruiterij bepaalde de HR dat de aanwezigheid van onvoorziene omstandigheden moeten worden meegewogen bij het bepalen of de afbrekende partij schadevergoeding moet betalen of niet.[6]
[1] Conclusie PG 26 maart 2004, ECLI:NL:PHR:2004:ao6909 en de Haviltex-maatstaf
[2] HR 15 november 1958, NJ1958, 67 (Baris/Riezenkamp)
[3] HR 21 januari 1966, NJ 1966, 183 (Booy/Wisman)
[4] HR 18 juni 1982, NJ 1983, 723 (Plas/Valburg)
[5] HR 23 oktober 1987, NJ 1988, 1017 (VSH/Shell)
[6] HR 14 juni 1996, NJ1997, 481 (MBO/De Ruiterij)